zat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zat
| 1 | stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zat | zatter | zatst |
| verbogen | zatte | zattere | zatste |
Bijvoeglijk naamwoord
| 2 | stellend |
|---|---|
| onverbogen | zat |
| verbogen | (alleen predicaat) |
zat
- (informeel) verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
- Hij was volkomen zat en begon handtastelijk te worden.
- (informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend
- Ik ben het zat!
Synoniemen
- [1] beschonken, dronken
- [2] beu
Vertalingen
Onbepaald voornaamwoord
zat
- (informeel) in voldoende mate
- Er zijn mensen zat die daar niet van houden.
- Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zitten |
zat
- enkelvoud verleden tijd van zitten
- Ik zat.
- Jij zat.
- Hij, zij, het zat.
- Ik zat.
Indonesisch
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Arabisch.
Zelfstandig naamwoord
zat
Turks
Zelfstandig naamwoord
zat
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Predicaatswoord in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Onbepaald voornaamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Indonesisch
- Zelfstandig naamwoord in het Indonesisch
- Woorden in het Turks
- Zelfstandig naamwoord in het Turks