zaaiden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zaai·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zaaien |
zaaiden
- meervoud verleden tijd van zaaien
- Wij zaaiden.
- Jullie zaaiden.
- Zij zaaiden.
- Wij zaaiden.
| vervoeging van |
|---|
| zaaien |
zaaiden