zaai

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai

Werkwoord

vervoeging van
zaaien

zaai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaaien
    Ik zaai.
  2. gebiedende wijs van zaaien
    Zaai!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaaien
    Zaai je?