wond
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: wond (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʋɔnt/
- (Vlaanderen, Brabant): /β̞ɔnt/
- (Limburg): /wɔnd/
Woordafbreking
- wond
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wond | wonden |
| verkleinwoord | wondje | wondjes |
Zelfstandig naamwoord
wond
- een beschadiging in of aan het lichaam
- Door zijn val had hij een diepe wond in zijn been.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| winden |
wond
- enkelvoud verleden tijd van winden
- Ik wond.
- Jij wond.
- Hij, zij, het wond.
- Ik wond.