wond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wond
enkelvoud meervoud
naamwoord wond wonden
verkleinwoord wondje wondjes

Zelfstandig naamwoord

wond

  1. een beschadiging in of aan het lichaam
    Door zijn val had hij een diepe wond in zijn been.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
winden

wond

  1. enkelvoud verleden tijd van winden
    Ik wond.
    Jij wond.
    Hij, zij, het wond.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen