won
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʋɔn/
- (Vlaanderen, Brabant): /β̞ɔn/
- (Limburg): /wɔn/
Woordafbreking
- won
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| winnen |
won
- enkelvoud verleden tijd van winnen
- Ik won.
- Jij won.
- Hij, zij, het won.
- Ik won.