wissel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wis·sel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wissel | wissels |
| verkleinwoord | wisseltje | wisseltjes |
Zelfstandig naamwoord
wissel
- (het, de) speciale constructie in een spoorweg om een trein, metro of tram naar een ander spoor te leiden
- (de) bankdocument gebruikt voor betalingsverkeer
- (de) vervanging van een sporter door een teamgenoot
- (de) pad op een vaste route van wild
Vertalingen
1.
2.
3.
Werkwoord
| vervoeging van |
| wisselen |
wissel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wisselen
- Ik wissel.
- gebiedende wijs van wisselen
- Wissel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wisselen
- Wissel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.