wiel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wiel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wiel | wielen |
| verkleinwoord | wieltje | wieltjes |
Zelfstandig naamwoord
wiel o
- ronddraaiende schijf voor voortbeweging met minimale weerstand
- een poel net achter de dijk, ontstaan door verspoeling tijdens een dijkdoorbraak
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
- achterwiel, differentieeltandwiel, kamwiel, kegeltandwiel, kroonwiel, krukastandwiel, margrietwiel, oliepomptandwiel, planeettandwiel, reservewiel, rijwiel, schoepenwiel, snelheidsmetertandwiel, stuurwiel, tandwiel, tussenastandwiel, vliegwiel, voorwiel, wagenwiel, wormwiel
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
het wiel uitvinden
Vertalingen
1. ronddraaiende schijf
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.