wetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wetten
wette
gewet
zwak -t volledig

Werkwoord

wetten

  1. het aanscherpen van een mes op een wetsteen
    Mijn opa wette het keukenmes.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wet


Duits

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • wet·ten
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wetten
/ˈvɛ.tən/
wettete
/ˈvɛ.tə.tə/
gewettet
/gə.ˈvɛ.tət/
volledig

Werkwoord

wetten

  1. wedden
    «Die Besucher einer Pferderennbahn wetten auf das siegreiche Pferd.»
    De bezoekers van de paardenrenbaan wedden op het winnende paard.
  2. ~, dass; wedden, er zeker van zijn
    «Ich wette, meine Taschenlampe strahlt nach vorne und nicht nach hinten.»
    Ik wed dat mijn zaklamp naar voren schijnt en niet naar achteren.
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen