wees af
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- wees af
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afwijzen |
wees af
- enkelvoud verleden tijd van afwijzen
- Ik wees af.
- Jij wees af.
- Hij, zij, het wees af.
- Ik wees af.
| vervoeging van |
|---|
| afwijzen |
wees af