weerspiegelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·spie·ge·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weerspiegelen
weerspiegelde
weerspiegeld
zwak -d volledig

Werkwoord

weerspiegelen

  1. (overgankelijk) als beeld terugkaatsen
    Het stille water van het meertje weerspiegelde de besneeuwde bergtoppen.
  2. (overgankelijk) overdrachtelijk: een evenbeeld zijn van iets
    Zijn latere werk weerspiegelde zijn eerdere ervaringen soms ongemerkt.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen