weerspiegelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- weer·spie·ge·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| weerspiegelen |
weerspiegelde |
weerspiegeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
weerspiegelen
- (overgankelijk) als beeld terugkaatsen
- Het stille water van het meertje weerspiegelde de besneeuwde bergtoppen.
- (overgankelijk) overdrachtelijk: een evenbeeld zijn van iets
- Zijn latere werk weerspiegelde zijn eerdere ervaringen soms ongemerkt.