weerde af
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- weer·de af
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afweren |
weerde af
- enkelvoud verleden tijd van afweren
- Ik weerde af.
- Jij weerde af.
- Hij, zij, het weerde af.
- Ik weerde af.
| vervoeging van |
|---|
| afweren |
weerde af