wee
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wee
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wee | weeën |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- (medisch) pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt.
- De weeën zijn al begonnen.
- jammerklacht.
- Dat ging met veel ach en wee gepaard.
Vertalingen
1. samentrekking bij geboorte
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | wee |
| verbogen | weeë |
Bijvoeglijk naamwoord
wee
- onaangenaam misselijk makend.
- Er ging een weeë geur in het gebouw.
Tussenwerpsel
wee!
- kondigt rampspoed aan.
- Wee je gebeente als je dat durft!