wateren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wateren
/ˈʋaːtərən/
waterde
/ˈʋaːtərdə/
gewaterd
(NL) /ɣəˈʋaːtərt/
(VL) /ʝəˈʋaːtərt/
zwak -d volledig

Werkwoord

wateren

  1. (inergatief) urine uitscheiden
  2. (overgankelijk) vers hout enige tijd in water leggen om er ongewenste stoffen uit te laten trekken
  3. (inergatief) waterachtig vocht afscheiden
    Zijn ogen waterden van de kou.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wateren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord water
Synoniemen

Meer informatie