walsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wal·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
walsen
walste
gewalst
zwak -t volledig

Werkwoord

walsen

  1. (inergatief) dansen op de muziek van een wals
    Er werd de hele avond gewalst en gefoxtrot.
  2. (overgankelijk) iets pletten met een zware rol
    Dat asfalt moet eerst nog gewalst worden.

Zelfstandig naamwoord

walsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wals