waggelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wag·ge·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| waggelen |
waggelde |
gewaggeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
waggelen
- (inergatief) zich zijdeling slingerend voortbewegen
- Er werd gewaggeld en gesloft, maar de dronken mannen zetten zich toch in beweging.
- (ergatief) zijdelings slingerend zich ergens heen begeven
- De dronken man was naar de overkant van de weg gewaggeld.