waggelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wag·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
waggelen
waggelde
gewaggeld
zwak -d volledig

Werkwoord

waggelen

  1. (inergatief) zich zijdeling slingerend voortbewegen
    Er werd gewaggeld en gesloft, maar de dronken mannen zetten zich toch in beweging.
  2. (ergatief) zijdelings slingerend zich ergens heen begeven
    De dronken man was naar de overkant van de weg gewaggeld.