waardeerde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- waar·deer·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| waarderen |
waardeerde
- enkelvoud verleden tijd van waarderen
- Ik waardeerde.
- Jij waardeerde.
- Hij, zij, het waardeerde.
- Ik waardeerde.