waan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʋan/
- (Vlaanderen, Brabant): /β̞an/
- (Limburg): /wan/
Woordafbreking
- waan
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | waan | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
waan m
- (psychologie) een min of meer van de werkelijkheid afgeleide droomwereld
- Hij verkeerde in de waan dat hij als een vogel kon vliegen.
- (psychologie) een overtuiging die gebaseerd is op een onjuiste waarneming of interpretatie van de werkelijkheid
- Het onduidelijke testament bracht hem in de waan een rijk man te zijn.
Synoniemen
- [1] droom, fantasie, fictie, illusie
- [2] veronderstelling
Antoniemen
- [1] realiteit, werkelijkheid
- [2] feitelijkheid, objectiviteit
Afgeleide begrippen
- [1] waanbeeld, waanidee, waanvoorstelling, waanwereld, waanwijs, waanzin
- [2] verwaand, verwaandheid
Verwante begrippen
- [1] denkbeeld, droomwereld, fantasiewereld, illusie, sprookjeswereld
- [2] mening, misvatting, misverstand, vergissing
- begoocheling, delirium, drogbeeld, zinsbedrog
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
- [2]: de waan van de dag
de actuele gekte
- [2]: iemand in de waan laten
iemand niet de waarheid vertellen
Vertalingen
2. onjuiste voorstelling van zaken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wanen |
waan