waan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waan
enkelvoud meervoud
naamwoord waan -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

waan m

  1. (psychologie) een min of meer van de werkelijkheid afgeleide droomwereld
    Hij verkeerde in de waan dat hij als een vogel kon vliegen.
  2. (psychologie) een overtuiging die gebaseerd is op een onjuiste waarneming of interpretatie van de werkelijkheid
    Het onduidelijke testament bracht hem in de waan een rijk man te zijn.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: de waan van de dag
de actuele gekte
  • [2]: iemand in de waan laten
iemand niet de waarheid vertellen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wanen

waan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    Ik waan.
  2. gebiedende wijs van wanen
    Waan!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    Waan je?