waadden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- waad·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| waden |
waadden
- meervoud verleden tijd van waden
- Wij waadden.
- Jullie waadden.
- Zij waadden.
- Wij waadden.
| vervoeging van |
|---|
| waden |
waadden