vrijbuiter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vrij·bui·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vrijbuiter | vrijbuiters |
| verkleinwoord | (vrijbuitertje) | (vrijbuitertjes) |
Zelfstandig naamwoord
vrijbuiter m
- (scheepvaart) een zeerover die niet zijn buit grotendeels zoals een kaper aan de staat afstond, maar vrijelijk op de markt verkocht
- Kapers werden vaak vrijbuiters als hun dat uitkwam, zodat het verschil niet zo groot was.
- iemand die niet vies is van een beetje avontuur
- Oh, die? Dat was altijd al een vrijbuiter!
- (scheepvaart) een klassieke, houten zeilboot