vrees
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vrees
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vrees | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
vrees v
- (formeel) het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- vreesaanjagend, vreesaanjaging, vreesachtig, vreeslijk, vreesreactie, vreeswekkend, vreeswiel, vreselijk
Vertalingen
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vrezen |
vrees
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrezen
- Ik vrees.
- gebiedende wijs van vrezen
- Vrees!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrezen
- Vrees je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.