vraten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vra·ten

Werkwoord

vervoeging van
vreten

vraten

  1. meervoud verleden tijd van vreten
    Wij vraten.
    Jullie vraten.
    Zij vraten.

Zelfstandig naamwoord

vraten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vraat