vork
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vork
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vork | vorken |
| verkleinwoord | vorkje | vorkjes |
- aftakking van een boomtak of van een weg.
- voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten.
- Hij at zijn frietjes met een vork.
- bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork).
- fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork.
- (in het schaakspel) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
Verwante begrippen
- bestek, couvert, lepel, mes, taartvorkje
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.