vorderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vor·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vorderen |
vorderde |
gevorderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vorderen
- (ergatief) vooruitgang boeken
- Het werk was die dag flink gevorderd.
- (overgankelijk) dwingend iets opeisen
- Alle radio's werden door de bezetter gevorderd.
Vertalingen
2. dwingend iets opeisen