vorderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vor·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vorderen
vorderde
gevorderd
zwak -d volledig

Werkwoord

vorderen

  1. (ergatief) vooruitgang boeken
    Het werk was die dag flink gevorderd.
  2. (overgankelijk) dwingend iets opeisen
    Alle radio's werden door de bezetter gevorderd.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen