voortborduren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voort·bor·du·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voortborduren
borduurde voort
voortgeborduurd
zwak -d volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
voortborduren

  1. doorgaan met iets, verder uitwerken van iets waarmee iemand (anders) begonnen is
    Verscheidene wetenschappers hebben voortgeborduurd op zijn ideeën.
    De sprekers borduurden voort op het thema van de dag.