voorspelbaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·spel·baar
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van voorspellen met het achtervoegsel -baar
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | voorspelbaar | voorspelbaarder | voorspelbaarst |
| verbogen | voorspelbare | voorspelbaardere | voorspelbaarste |
Bijvoeglijk naamwoord
voorspelbaar
- van tevoren te verwachten
- Dat was een voorspelbaar resultaat.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. van tevoren te verwachten