voorbereiden/vervoeging
Uit WikiWoordenboek
| vervoeging van de bedrijvende vorm van voorbereiden | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | bereid voor, (bijzin) voorbereid |
wij, we | bereiden voor, (bijzin) voorbereiden |
ik | bereidde voor, (bijzin) voorbereidde |
wij, we | bereidden voor, (bijzin) voorbereidden |
ik | zal voorbereiden | wij, we | zullen voorbereiden |
| jij, je, u gij, ge |
bereidt voor, (bijzin) voorbereidt |
jullie | bereiden voor, (bijzin) voorbereiden |
jij, je, u gij, ge |
bereidde voor, (bijzin) voorbereidde |
jullie | bereidden voor, (bijzin) voorbereidden |
jij, je, u gij, ge |
zal, zult voorbereiden zult voorbereiden |
jullie | zullen voorbereiden |
| hij, zij, het | bereidt voor, (bijzin) voorbereidt |
zij, ze | bereiden voor, (bijzin) voorbereiden |
hij, zij, het | bereidde voor, (bijzin) voorbereidde |
zij, ze | bereidden voor, (bijzin) voorbereidden |
hij, zij, het | zal voorbereiden | zij, ze | zullen voorbereiden |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| voorbereidend | voorbereid hebben | bereid voor, bereidt voor | bereide voor (bijzin) voorbereide |
||||||||