voorbereid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • voor·be·reid

Werkwoord

vervoeging van
voorbereiden

voorbereid

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorbereiden
    ... dat ik voorbereid.
  2. voltooid deelwoord van voorbereiden
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen