voor-

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
26
Uitspraak

Niet in de woordenlijst van de Taalunie

Woordherkomst en -opbouw

Voorvoegsel

voor-

  1. duidt een positie aan die voor of vooraan ligt of een eerdere tijd
    In het voorseizoen was men voorstander om de voorkamer te laten afbreken.
  2. eens zijn met
    Hij is een voorstander van dat project.
    voor- bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Antoniemen