volstrekt
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vol·strekt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| volstrekken |
volstrekt
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volstrekken
- Jij volstrekt.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volstrekken
- Hij volstrekt.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van volstrekken
- Volstrekt!
- voltooid deelwoord van volstrekken
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | volstrekt |
| verbogen | volstrekte |
Bijvoeglijk naamwoord
volstrekt
- geheel en al
- Dit geschiedde onder volstrekte geheimhouding.
Bijwoord
volstrekt
- geheel en al, in het geheel
- Dat is volstrekt uitgesloten.