volbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
volbrengen volbrengend
volbrenging volbracht
Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·bren·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volbrengen
volbracht
volbracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

volbrengen

  1. (overgankelijk) geheel uitvoeren
    Hij volbracht daarmee een waar meesterwerk.
Synoniemen
  • tot stand brengen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen