volbrengen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| volbrengen | volbrengend |
| volbrenging | volbracht |
Uitspraak
Woordafbreking
- vol·bren·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| volbrengen |
volbracht |
volbracht |
| zwak -cht | volledig | |
Werkwoord
volbrengen
- (overgankelijk) geheel uitvoeren
- Hij volbracht daarmee een waar meesterwerk.
Synoniemen
- tot stand brengen