voetballen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: voetballen (hulp, bestand)
- IPA: /ˈvutbɑlə(n)/
Woordafbreking
- voet·bal·len
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van voetbal.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voetballen |
voetbalde |
gevoetbald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
voetballen
- (inergatief), (voetbal) een balspel waarbij de bal alleen met de voet en het hoofd, maar niet met de hand gespeeld mag worden
- Zij gaan elke middag voetballen op het veldje op de hoek.
Vertalingen
1. een spel met een voetbal spelen
|
Afgeleide begrippen
Zelfstandig naamwoord
voetballen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord voetbal