voeder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voe·der

Werkwoord

vervoeging van
voederen

voeder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voederen
    Ik voeder.
  2. gebiedende wijs van voederen
    Voeder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voederen
    Voeder je?