vloekten
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- vloek·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vloeken |
vloekten
- meervoud verleden tijd van vloeken
- Wij vloekten.
- Jullie vloekten.
- Zij vloekten.
- Wij vloekten.
| vervoeging van |
|---|
| vloeken |
vloekten