vloeken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vloe·ken
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van vloek.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vloeken |
vloekte |
gevloekt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
vloeken
- uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
- Hij vloekte binnensmonds.
- Als hij even later in een file vast komt te staan, vloekt en tiert hij op het verkeer.
- niet bij elkaar passen
- Het rood vloekt een beetje bij het oranje.
- Rechte lijnen vloeken met de natuur.
Afgeleide begrippen
- [1] stijfvloeken
Vertalingen
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
Zelfstandig naamwoord
vloeken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vloek