vloeken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vloe·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vloeken
vloekte
gevloekt
zwak -t volledig

Werkwoord

vloeken

  1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
    Hij vloekte binnensmonds.
    Als hij even later in een file vast komt te staan, vloekt en tiert hij op het verkeer.
  2. niet bij elkaar passen
    Het rood vloekt een beetje bij het oranje.
    Rechte lijnen vloeken met de natuur.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vloeken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vloek