vloek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vloek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vloek | vloeken |
| verkleinwoord | vloekje | vloekjes |
Zelfstandig naamwoord
vloek m
- bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
- Er lijkt een vloek te rusten op dat verlaten huis.
- Dit team rekent af met de vloek die jarenlang over Oranje's penalty's hing.
- godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
- In de andere kamer hoorde hij een hoop gehijg, gestommel en af een toe een vloek.
- Ik slaakte een knetterende vloek.
Synoniemen
- [2] krachtterm
Uitdrukkingen en gezegden
- in een vloek en een zucht
in een korte tijd, in de tijd die nodig is om een vloek en een zucht te slaken.
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vloeken |
vloek