vlijen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vlij·en
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vlijen |
vlijde |
gevlijd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vlijen
- (overgankelijk) op een geordende manier, comfortabel neerleggen
- Zij vlijde haar handen in haar schoot.
- (wederkerend) op zijn gemak gaan liggen, meestal tegen iets of iemand aan
- Het hertenkalfje vlijde zich tegen zijn moeder en viel in slaap.