vlieger
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vlie·ger
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van vliegen met het achtervoegsel -er
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vlieger | vliegers |
| verkleinwoord | vliegertje | vliegertjes |
Zelfstandig naamwoord
vlieger m
- een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
- (wiskunde) een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar overstaande driehoeken aan elkaar gelijk zijn
- (numismatiek) een betaalpenning die een bepaalde periode overal in Bolsward als betaalmiddel gebruikt wordt
- (scheepvaart) een klein roeibootje van het type schouw dat meegevoerd werd met een groter binnenvaartschip als bijbootje
- (scheepvaart) een klein driehoekig scheepszeil, dat voor en boven de kluiver tussen de (voorste) mast en de boegspriet wordt gevaren
- iemand die vliegt
- een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
Vertalingen
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
2. (wiskunde) een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar overstaande driehoeken aan elkaar gelijk zijn
5. (scheepvaart) een klein driehoekig scheepszeil, dat voor en boven de kluiver tussen de (voorste) mast en de boegspriet wordt gevaren
6. iemand die vliegt
7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vliegeren |
vlieger
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegeren
- Ik vlieger.
- gebiedende wijs van vliegeren
- Vlieger!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegeren
- Vlieger je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.