vliegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: vliegen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈvli.χə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈvli.ɣə(n)/
Woordafbreking
- vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse vlieghen, verwant met het Oudnederfrankische fliugon, Middelnederduitse vlēgen, Oudhoogduitse fliogan, Oudengelse fleōgan.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vliegen |
vloog |
gevlogen |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
vliegen
- (inergatief) zich door de lucht voortbewegen
- Hoe vaak per jaar vliegt u naar het buitenland?
Afgeleide begrippen
- invliegen, opvliegen, overvliegen, vervliegen
- vliegende start:
- bij een race met tijdmeting: de tijd en afstand van het op gang komen telt niet mee
- figuurlijk: snel op gang komen
Vertalingen
1. zich door de lucht voortbewegen
Zelfstandig naamwoord
vliegen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vlieg