vitaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·taal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vitaal vitaler vitaalst
verbogen vitale vitalere vitaalste

Bijvoeglijk naamwoord

vitaal

  1. vol levenskracht
    Hij is een vitale ouwe baas.
  2. van levensbelang
    Het behoud van dat steunpunt was van vitaal belang voor de oorlogsvoering.