visum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·sum
enkelvoud meervoud
naamwoord visum visa, visums
verkleinwoord visumpje visumpjes

Zelfstandig naamwoord

visum o

  1. een officiële toestemming een land binnen te reizen en in dat land te verblijven, afgegeven door het betreffende land.
    Om sommige landen binnen te reizen is er een visum nodig.
Verwante begrippen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen