vijand
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
- Eig. tegenwoordig deelwoord van een werkwoord dat o.a. verwant is met het gotische fijan (haten)
Uitspraak
Woordafbreking
- vij·and
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vijand | vijanden |
| verkleinwoord |
vijand
- iemand met wie men op voet van oorlog leeft.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.