vibreren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vi·bre·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vibreren |
vibreerde |
gevibreerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vibreren
- (onovergankelijk) in staat van trilling verkeren
- De snaar vibreerde nog totdat de speler hem dempte.