verwarren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·war·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verwarren |
verwarde |
verward |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verwarren
- (overgankelijk) in de war brengen
- Met hun aanwezigheid verwarren de controleurs de medewerker.
- (overgankelijk) door elkaar halen
- De medewerkers verwarren boven- en onderkant steeds.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. in de war brengen