vertrek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·trek
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | vertrek | vertrekken |
| verkleinwoord | vertrekje | vertrekjes |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | vertrek | - |
| verkleinwoord | - | - |
Woordherkomst en -opbouw
- [2] Naamwoord van handeling van vertrekken.
Zelfstandig naamwoord
vertrek o
- een afgesloten deel van een woning
- Hij verliet het vertrek en begaf zich naar het balkon.
- de actie van het vertrekken of weggaan
- Zijn vertrek kwam nogal onaangekondigd.
Vertalingen
2. de actie van het vertrekken of weggaan
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vertrekken |
vertrek
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
- Ik vertrek.
- gebiedende wijs van vertrekken
- Vertrek!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
- Vertrek je?