verspreid
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·spreid
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verspreiden |
verspreid
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verspreiden
- Ik verspreid.
- gebiedende wijs van verspreiden
- Verspreid!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verspreiden
- Verspreid je?
- voltooid deelwoord van verspreiden