versperde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sper·de

Werkwoord

vervoeging van
versperren

versperde

  1. enkelvoud verleden tijd van versperren
    Ik versperde.
    Jij versperde.
    Hij, zij, het versperde.