versperde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·sper·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| versperren |
versperde
- enkelvoud verleden tijd van versperren
- Ik versperde.
- Jij versperde.
- Hij, zij, het versperde.
- Ik versperde.