versper
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·sper
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| versperren |
versper
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van versperren
- Ik versper.
- gebiedende wijs van versperren
- Versper!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van versperren
- Versper je?