verscheepte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·scheep·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verschepen |
verscheepte
- enkelvoud verleden tijd van verschepen
- Ik verscheepte.
- Jij verscheepte.
- Hij, zij, het verscheepte.
- Ik verscheepte.