verruimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·rui·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verruimen
verruimde
verruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

verruimen

  1. (overgankelijk) ruimer maken
    Hij gebruikte een boor om het gat wat te verruimen.
  2. (wederkerend) zich ~ ruimer worden
    Terwijl mijn innerlijke ruimte zich verruimde, nam ook de gevoelskwaliteit toe.
Uitdrukkingen en gezegden
  • zijn blik verruimen
Vertalingen