verruimen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·rui·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verruimen |
verruimde |
verruimd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verruimen
- (overgankelijk) ruimer maken
- Hij gebruikte een boor om het gat wat te verruimen.
- (wederkerend) zich ~ ruimer worden
- Terwijl mijn innerlijke ruimte zich verruimde, nam ook de gevoelskwaliteit toe.
Uitdrukkingen en gezegden
- zijn blik verruimen
Vertalingen
zijn blik verruimen
|