verpleegde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·pleeg·de

Werkwoord

vervoeging van
verplegen

verpleegde

  1. enkelvoud verleden tijd van verplegen
    Ik verpleegde.
    Jij verpleegde.
    Hij, zij, het verpleegde.